Verlaging maximale garantie levensverzekeringen

Wie ziet nog het bos door de bomen?

Nu de wet van 18 december 2015 het minimumrendement dat een werkgever moet garanderen op de pensioenpremies als inrichter van een aanvullend pensioenplan net heeft verlaagd, voorziet een nieuw KB Levensverzekering van 3 februari 2016 eveneens een verlaging van de maximale garantie op levensverzekeringen met ingang van 13 februari van 3,75% naar 2%. Deze maximale interestvoet die de verzekeraars mogen garanderen ligt theoretisch nog steeds boven het minimumrendement van 1,75% (2016) die de pensioeninrichters moeten garanderen. De aanhoudende druk op de financiële markten blijft echter zo groot dat verzekeraars hun interestvoet nog laten zakken tot onder dit maximum van 2%.

Er dient wel een onderscheid te worden gemaakt tussen de contracten van het type “universal life” en de “klassieke” contracten. Bij universal life contracten is de interest enkel gegarandeerd op de reeds gestorte premie en is er geen enkele garantie voor toekomstige premies. Het is enkel bij klassieke contracten dat de interest mogelijk ook wordt gegarandeerd op de toekomstige stortingen. Dergelijk contracten kunnen dus mogelijks premie-gedeelten hebben aan verschillende interestvoeten uit het verleden zoals 4,75%, 3,75% of 3,25%.

Weinig verzekeraars garanderen momenteel het nieuwe maximum van 2% en al zeker niet meer voor “klassieke” contracten met garantie voor de toekomstige premies.